Grondbezit (deel 3)

Als je het grootgrondbezit in 1832 te Hengstdijk nauwkeuriger bekijkt, zie je vaak aaneengesloten percelen met daarop ook een boerderij. Waarschijnlijk verpachtten de grondeigenaren meestal geen losse percelen maar veelal volledige boerderijen. We zien ook zien dat de pachters die we kennen uit het boerderijenboek over het algemeen niet genoemd worden als eigenaren van grond. Uit oudere documenten van het domein van de Oranjes weten we dat daar ook boerderijen werden verpacht en niet losse percelen. Dit blijkt ook uit enkele pachtcontracten van de abdij van Boudelo.

Door boerderijen op deze manier te verpachten behielden deze over de generaties heen hun omvang en werden niet versnipperd bij erfenissen. Het verpachten van volledige boerderijen legde ook een last bij de verpachters. Het betekende namelijk ook dat er investeringen geinvesteerd moest worden in de gebouwen die tot de boerderij hoorden en in grondverbetering zoals door drainage. Het was dus niet alleen een belegging maar vereiste ook dat verpachters er af en toe nieuw kapitaal in staken.

Het grootgrondbezit had ook nadelen. Zoals we de vorige keer zagen, woonden de grondeigenaren niet in de streek maar op grote afstand. Daardoor was de betrokkenheid van grootgrondbezitters  bij de streek en haar bewoners niet groot. De pachtsommen die zij voor de boerderijen ontvingen, werden afgezien van hun investeringen en betaalde belastingen, aan de streek onttrokken, wat een nadelig effect op de lokale welvaart en werkgelegenheid had. Een lokale rentmeester hief die nadelen waarschijnlijk voor een deel op. Zijn verdiensten bleven in de streek en hij had misschien ook wat meer gevoel voor de behoeften van de pachters.

 Nu gaan we kijken naar de volgende grootgrondbezitters Graaf de Robbiano, van Alstein en Meijers.

Graaf de Robbiano

Graaf Jan Baptist de Robbiano stamt volgens Wikipedia uit een oud Noord Italiaans geslacht. Tijdens de tachtigjarige oorlog kwamen zijn voorouders naar de Nederlanden en bekleedde daar het ambt van theasaurier generaal (hoogste ambtenaar van financiën). Ook in de volgende generaties bekleedden zij hoge functies in het bestuur van de Zuidelijke Nederlanden. 

Graaf Jan Baptist Robbiano bezat 4 boerderijen met een totaal oppervlakte van meer dan 100 hectare.

De bezittingen van de graaf te Hengstdijk lagen volledig in het Zuid Oostelijke gedeelte van de gemeente. Het betrof 107 percelen  met in totaal een oppervlakte van 109 hectare. Uit de internetpagina Zeeuwengezocht blijkt dat hij nog meer bezittingen in Zeeuws-Vlaanderen had: namelijk 9 percelen te Hontenisse en 34 percelen buiten het land van Hulst. Uit het kaartje blijkt ook dat zijn bezittingen te Hengstdijk bestonden uit een 4 tal boerderijen.

Van Alstein

Johan Ferdinand van Alstein komt uit een Belgisch geslacht dat behoorde tot de regenten. Hij was in 1795 geboren te Gent.  In 1832 was hij inspecteur der belastingen in Brussel. Hij is in 1870 overleden in Sint Joost ten Noode. Zijn vader was burgemeester van Drongen een plaatsje bij Gent en zijn grootvader was secretaris bij de Keure van Gent (stadsbestuur en rechtbank). Opvallend is wel dat zijn vader in 1832 nog in leven was en toch niet als eigenaar genoemd is. De oorzaak kan zijn dat Johan Ferdinand zijn bezit zelf verworven heeft of dat hij het geërfd heeft van bijvoorbeeld moeders kant.

Johan Ferdinand van Alstein bezat 35 percelen waaronder 1 boerderij.

Van Alstein zijn bezit te Hengstdijk bestond uit  35 percelen totaal bijna 36 hectare groot. Daarnaast had hij volgens zeeuwengezocht nog 20 percelen in het land van Hulst en 10 in de rest van Zeeuws-Vlaanderen. De gronden te Hengstdijk waren vooral gelegen in het Zuidwesten van de GrootHengstdijkpolder en de Westvogel. Het gaat om 1 boerderij. Net als bij graaf Robbiano lag zijn bezit vooral binnen de gemeente Hengstdijk.

Meijers

De achtergrond van Jacobus Josephus Meijers uit Zandhove was lastig te vinden. Via een omweg ontdekte ik namelijk iemand met een vergelijkbare naam en de toevoeging “de Zwijndrecht”. Het werd duidelijk dat het om Jacobus Josephus Meijers Jonkheer van Zwijndrecht ging. Eind 17e eeuw hadden zijn voorouders de titel heer van Zwijndrecht gekocht. Adel heeft soms ook een platvloerse financiële achtergrond. Je kon een titel en landgoed ook kopen. Jacob woonde op het landgoed Hof van Lyere te Zandhoven, een kasteel bij een  dorpje ten oosten van Antwerpen*. Naast 32 hectare te Hengstdijk met daarop 1 boerderij bezat hij ook gronden bij Breda te Princenhage en Etten.

*Bron Heemkundige kring Zwijndrecht Burcht

Jacob Jospehus Meijers bezat een boerderij en daarnaast een aantal aaneengesloten percelen met een totale oppervlakte van 32 hectare.

Het volgende artikel gaat over het bezit van de inwoners uit de regio en van Hengstdijk en is gepland voor 19 november.