Land van Hulst landschap en bewoners in vroeger tijden.

Geschiedenis gaat over mensen en de wereld waarin zij leefden . Door een aantal jaren onderzoek te doen in de archieven en de literatuur, musea te bezoeken en wandelingen en fietstochten door de streek te maken is bij mij een beeld ontstaan van de vroegere Zeeuws Vlamingen. Ik wil u laten meekijken door dat kleine raampje op hun leven en hun samenleving. Ons echt in hun leven verplaatsen is onmogelijk.  Daarom doe ik een poging om aan de hand van een paar fragmenten een wandeling door hun wereld te maken. We verplaatsen ons naar het land van Hulst aan het eind van de 16e eeuw of het begin van de 17e eeuw, maar aan het begin van de 19e eeuw zal het niet duidelijk anders geweest zijn. Aan het eind van de 16e eeuw was het land van Hulst een landtong ten noorden van Hulst omgeven door schorren en slikken doorsneden met getijde kreken. Het land was geteisterd door oorlog en geweld zo blijkt uit de personele quotisatie van 1580 waarin vermeld is dat vooral in de omgeving van Hengstdijk boerderijen vernietigd waren. Door inundaties en overstromingen was veel land verloren gegaan en de bevolking was voor een groot deel weggetrokken.

Dat er over de 17e eeuw  weinig bronnen beschikbaar zijn is niet alleen doordat documenten door het oorlogsgeweld en geloofsvervolgingen verloren zijn gegaan, maar ook doordat er waarschijnlijk relatief weinig mensen woonden en dus ook weinig is opgesteld. 

Op het smalste deel van deze landtong ligt de stad Hulst omsloten door vestingwerken. Het blauw gearceerde gebied zijn schorren die door kreken doorsneden worden.
Molens als deze te Kloosterzande kwamen tot het begin van de 20e eeuw in de meeste dorpen voor.
Het kloosterkerkje van het Hof te Zande te Kloosterzande een overblijfsel van een middeleeuws kloostercomplex. Qua grootte en uiterlijk geeft dit een indruk hoe kerken er in het verleden uitzagen.

Het landschap

In de overgebleven polders  bedreven boeren de landbouw. Het waren gemengde bedrijven die beschikten over kleine hoeveelheden vee om in de eigen behoefte aan vlees en zuivelproducten te voorzien. Daarnaast leverde het vee de noodzakelijke mest om het land vruchtbaar te houden.. Het merendeel van de grond werd gebruikt voor akkerbouw.  De boeren verbouwden hoofdzakelijk tarwe en gerst en daarnaast werden ook peulvruchten, vlas en koolzaad geteeld. In de 18e eeuw werden aardappelen geïntroduceerd  en in de 19e eeuw suikerbieten. 

Een groot deel van de agrarische bedrijven waren grootschalig soms 20 tot 50 ha.  Dit had een economische oorzaak. Om de  zware klei goed te kunnen bewerken had een boer voor het ploegen een span van 3 zware trekpaarden nodig. Een dergelijke investering was alleen lonend als een bedrijf voldoende omvang had en 20 hectare was daarbij een minimum.

De boerderijen lagen temidden van de akkers en weilanden. De boeren leefden hoofdzakelijk van de graanteelt, dat zij verbouwden om te verhandelen. Om de grond vruchtbaar te houden pasten zij vruchtwisseling toe met peulvruchten en veevoeder. Ook verbouwde men gewassen voor de industrie zoals vlas en meekrap (een gewas voor rode kleurstof). De teelt van aardappelen startte aan het eind van 18e eeuw en die van suikerbieten aan het eind van 19e eeuw.

Boerderijen lagen verspreid door de polders en hier en daar was een gehucht ontstaan waar de landarbeiders en dijkwerkers woonden. Daar woonden zij in een huisje met daaraan een houten schuur aan vast gebouwd. Dit was een bergplaats voor het voedsel voor mens en dier. Vaak hadden landarbeiders en ambachtslieden een varken en enkele gevallen een koe. Voor eigen gebruik verbouwden zij een aantal gewassen in de omgeving van hun huis.  Het gebied kende enkele dorpjes zoals Ossenisse, Hengstdijk en Pauluspolder; allen gegroepeerd rondom een middeleeuws kerkje.

Deze  kerkjes vertoonde nauwelijks overeenkomsten met de huidige goed onderhouden monumentale gebouwen. Ze waren kleiner en de staat van onderhoud liet vaak te wensen over. In de dorpjes woonde de plaatselijke smid, een wagenmaker, een dakdekker, een schoenmaker enkele wevers, herbergiers en winkeliers.

Zoals de plaatsnaam al aangeeft was te Kloosterzande een klooster gevestigd. Dit was na de verwoestingen aan het begin van de tachtig jarige oorlog gedeeltelijk hersteld. De hervormde kerk is een  restant van dat klooster dat dateert uit deze tijd.

Op belangrijke kruispunten makkelijk bereikbaar voor de boeren in de omgeving, stond een windmolen. De relatief grote boerderijen boden werk aan een redelijk aantal arbeiders die in de dorpjes woonden of in kleine gehuchten.

De wegen waren zandwegen veelal gelegen boven op de dijken zodat ze ook in een natte periode enigszins berijdbaar bleven. In de oude polders verliep het percelen en straten patroon vaak grillig. De inpolderingen vanaf de 17e en eeuw kenden vaak kaarsrechte patronen.  De Kruispolder en de Hooglandpolder zijn mooie voorbeelden  van zo’n strak patroon. In de omgeving  van Kloosterzande, Hengstdijk en Pauluspolder vinden we nog voor een deel het grillige 16e eeuwse patroon.  Door het landschap slingerden dijken met een forse hoogte. Een groot aantal binnendijken hadden toen de functie van zeedijk. Achter deze dijken lagen de boerderijen met kolossale schuren. Hier en daar lagen ook binnendijks kreken en wielen, restanten van eerdere overstromingen.

Grote boerderijen achter de dijk een enkele keer is er nog niet zoveel veranderd

Boerderijen in het landschap

Op oude kaarten van Zeeuws Vlaanderen staan boerderijen afgebeeld die sterk lijken op de boerderijen in het land van Waas.  Zij vertonen vaak grote gelijkenis met de oude boerderijen die we ook nu nog in de streek aantreffen. Een stenen huis een grote houten schuur en de nodige timmeragies (houten gebouwen zoals een bakkiet, varkenshok en wagenhuis). De woonhuizen waren vaak symmetrisch gebouwd een gang in het midden met aan beide zijden kamers.  Een kamer bevond zich boven de kelder en was iets hoger gelegen. In deze kelder werd het ingezouten vlees bewaard en de zuivelproducten (hoofdzakelijk karnemelk en boter).  Soms lag hier nog een vat bier of brandewijn en in zeer uitzonderlijke gevallen wijn. Aanvankelijk bestond het huis vermoedelijk uit 2 kamers en was de gang breed zodat deze als werkruimte gebruikt kon worden, De zolder werd in eerste instantie gebruikt voor graanopslag. Pas met het verdwijnen van de bedstee (beddekoets) ontstonden afzonderlijke slaapkamers; voor de ouders in de opkamer boven de kelder en voor de kinderen op zolder.

De hiernaast afgebeelde  plattegrond geeft een indruk van een erf zo dit eeuwen geleden is ontstaan en tot de eerste helft van de 20e eeuw werd toegepast. Dit model werd pas verlaten nadat boeren een voorkeur kregen voor meer burgerlijke bouwstijlen voor hun woonhuizen en in dezelfde periode het dorsen op het land in de plaats kwam van het traditionele oogsten. Hierdoor was de schuur niet langer meer nodig voor de opslag van de gewassen, maar werd deze vooral gebruikt voor het stallen van landbouwwerktuigen.

De schuur was van hout, waarbij de planken horizontaal en overnaads waren aangebracht. Aan de lange zijden van de schuur bevonden zich tegenover elkaar liggende hoge mendeuren.  Dit bood de mogelijkheid om de met korenschoven geladen wagens binnen te rijden om dan na het lossen aan de andere kant de schuur weer te verlaten. Omdat het openen van deze grote deuren bij sterke wind veel moeite kostte was op de meest gebruikte plekken er een klein deurtje in aangebracht, een zogenaamd klinket. Aan de lange zijde van de schuur bevonden zich vaak de paarden-, koe- en kalverstallen. Voor de stallen lag een mestvaalt. Aan de andere zijde van de mest vaalt stond vaak nog een houten schuur bestemd voor het stallen van wagens en landbouwwerktuigen. Bovendien bevonden zich hierin dikwijls de varkenshokken. 

De bakkiet is een bijgebouwtje dat bij de Vlaamse boerderij hoort. Vanwege de brandveiligheid stond dit gebouw los van het woonhuis. Meestal had het de vorm van een klein huisje met daarin een oven en een grote ketel om de was te doen en veevoer te koken. Ook werd dit gebouwtje soms gebruikt om zuivelproducten te bereiden. Al in de 17e eeuw waren boerderijen vaak omgeven door een boomgaard of bomen groep om in de behoefte aan fruit en hout te voorzien. Vaak lag er ook een moestuin voor het woonhuis. Ook de zeer oude woonhuizen lagen op enige afstand van de straat. Op een schilderij van Haak gemaakt in de jaren zestig van 19e eeuw staat duidelijk een moestuin afgebeeld.

Behalve in de winter werkte een groot deel van de bevolking op de akkers. Het ploegen, eggen, zaaien, onkruid wieden, hooien en oogsten was zeer arbeidsintensief.

Tot in de tweede helft van de 19e eeuw werd op een aantal plaatsen ook turf gestoken. Hier en daar zullen dan ook wel stapeltjes turf te drogen hebben gelegen.

Kenmerkend voor de Zeeuws Vlaamse boerderij zijn de meerdere gebouwen. Dit betreft de grotere boerderijen van minimaal twintig hectare. De schikking van de gebouwen liep uiteen, maar er waren wel vaste patronen. De bakkiet lag dicht bij het huis. Varkenshokken en stallen waren veelal aan weerszijden van de mestvaalt gelegen. De moestuin lag voor of naast het woonhuis. De schuren waren veelal kolossaal omdat zij de oogst van het akkerbouw gebied dat bij de boerderij hoorde moesten kunnen bergen, de dieren werden er gestald en de voorraad voedsel voor de dieren werd er in opgeslagen.
Een klassieke boerderij met een symmetrisch woonhuis en een grote schuur. Dit type huis werd al in de 17e eeuw gebouwd.
Een woonhuis uit 1918 dat nog alle traditionele kenmerken heeft van die uit vorige eeuwen.

Het interieur van een woning

Een haardplaats met een aantal ijzeren voorwerpen die ook vaak in de boedelbeschrijvingen uit de 17e en 18e eeuw zijn opgenomen.
In een brede gang werden zuivelproducten bereid.

In een openluchtmuseum krijg je een goede beeld van hoe de mensen toen leefden. Zoals je ook in  boedelbeschrijvingen uit die tijd kunt lezen is de inventaris karig. Museum Bokrijk in de Belgisch Limburg geeft een aardige indruk van het landleven in vroeger tijden.

Treffend is gelijkenis tussen de inmiddels zeldzame oude boerderijen en  arbeidershuisjes en boerderijen in Zeeuws Vlaanderen en de uit het land van Waas afkomstige monumenten in dit museum. In het openlucht museum is de alles overheersende geur die van houtvuren. Op de 17e eeuwse boerderij kwam daar ongetwijfeld nog de geur van mest bij.

Het interieur was sober. Alleen zeer welvarende mensen hadden gordijnen voor de ramen. Goederen werden opgeslagen in kisten en zelden in kasten een paar tafels soms een combinatie van een tafel en een baktrog, enig aarde werk, een paar metalen potten een haardplaat en ketting om een pot boven het vuur te hangen en een karn. Glaswerk, bestek, uurwerken, schilderijen, wandkleden kwamen op het platte land zelden voor. Een wafelijzer en koperen en tinnen gebruiksvoorwerpen waren de luxe voorwerpen uit die tijd.

Opvallend is dat een aantal mensen in Zeeuws Vlaanderen in de 18e eeuw ook vuurwapens bezaten. Voelde men zich onveilig, hoorde het bij de verdediging van de streek of verschalkte men graag een gans of een haas?

 Over het algemeen  hadden boeren de volgende huisdieren een drie tot tiental paarden afhankelijk van de grote van de boerderij, een aantal koeien, varkens en kippen. Schapen en geiten werden er zelden gehouden.  Zeer rijken bezaten een rijdpaard en een zadel. Rijtuigen deden over het algemeen pas in de negentiende eeuw hun intrede

Vlaans of Hollands

In vroeger tijden had de kleding van de mensen in het land van Hulst sterk Vlaamse trekken. De mannen droegen zwarte of bruine kleding, de vrouwen droegen op hun wit of ongebleekt  linnen ondergoed vaak een kleurrijke rok en jakje. Op portretten uit de 19e eeuw droegen vrouwen ook een Vlaamse muts. De klederdracht in het land van Hulst wijkt daarmee sterk af van de andere Zeeuwse drachten Opvallend is echter dat ik in de boedelbeschrijvingen nog nauwelijks mutsen ben tegen gekomen evenmin als schoeisel. Mogelijk waren deze van een te geringe waarde en werden ze daarom achterwege gelaten.

Boerinnen werden vaak geassocieerd met veel gouden sieraden en bloedkoralen halssnoeren en armbanden. In de 17e en18e eeuw waren sieraden zeker niet algemeen. Pas in de loop van de 19e eeuw toen de welvaart onder de boeren sterk was toegenomen treffen we op bredere schaal sieraden en ook andere luxe artikelen aan.

Zoals ik in de voorgaande paragraaf beschreef vertoonden gebouwen in de streek duidelijke overeenkomsten met die in Vlaanderen. De hiernaast afgebeelde boerderij uit het land van Waas heeft als belangrijkste kenmerken een haast symmetrische voorgevel met de deuren in het lange gedeelte. Dit zijn kenmerken die we ook in veel bestaande Zeeuws Vlaamse boerderijen herkennen. Overigens treffen we dit type boerderij ook in West Brabant en op de Zeeuwse eilanden aan.

Op grond van oude geschriften vermoed ik dat de mensen die we tegen kwamen ons zouden aanspreken in een dialect dat sterk lijkt op het huidige. Ik krijg de indruk dat hier sprake is van een sterke continuïteit. Qua dialect en gebruiken zijn de mensen uit het land van Hulst duidelijk anders dan hun streekgenoten. Ze spreken niet het Zeeuws van de eilanden of het land van Axel. Evenmin spreken zij het Vlaams uit de grensstreek. Het eigen dialect, en het grote verschil  met de rest van Zeeuws Vlaanderen zou kunnen duiden op continuïteit vanuit de middeleeuwen. 

Uit mijn genealogisch onderzoek blijkt dat een redelijk aantal vroeg 17e eeuwse voorouders uit het land van Hulst stamt. Een aantal families die aan het eind van de 16e eeuw al in Zeeuws Vlaanderen woonden zijn de familie de Waal, Coolsen, Krieckaert, Verdurmen, Crombeen, Verhoeven, Vossaert, de Maat,  Adriaensens, Claessens en Verstraeten. Het zijn ook nu nog bekende namen in de streek

Zoals op de kaart aan het begin van het artikel te zien is, was het land van Hulst een zeer geïsoleerd gebied. Dit isolement werd nog versterkt doordat sinds het einde van de Tachtig jarige oorlog ten zuiden van Hulst de landsgrens lag en de banden met de rest van Zeeland beperkt waren omdat het land van Hulst grotendeels Rooms Katholiek was en de rest van Zeeland overwegend Nederlands Hervormd.

In de loop der tijd zijn er door de inpoldering nieuwe bestaansmogelijkheden ontstaan. Deze nieuw gewonnen gebieden werden bewoond door mensen uit de streek bovendien trok dit mensen aan vooral uit het aangrenzende land van Waas en de rechter oever van de Schelde. Er waren nagenoeg geen mensen afkomstig van de Zeeuwse eilanden. In de 18e eeuw vestigden zich hier dan ook de familie de Potter, van Esbroeck, Verschueren, en Hemelaar, Deze kwamen allen uit het aangrenzende land van Waas. Waarschijnlijk was hun invloed onvoldoende om een sterk Vlaams accent aan de taal te geven.  Mogelijk dat de kleine kern die aan het eind van de 16e eeuw de bevolking van het land van Hulst vormde door een geleidelijke en getalsmatig niet al te forse immigratie haar karakter heeft weten te behouden.

Buitenlandse invloeden hebben in Oost Zeeuws Vlaanderen ongetwijfeld een rol gespeeld. De soms duizenden militairen hebben van de 16e eeuw tot het eind van de 18e eeuw hun sporen achtergelaten. In de taal van de Zeeuws Vlaming vinden we daar weinig van terug. In het uiterlijk van de allochtone bevolking zie je soms nog Zuid Europese elementen zoals gitzwart haar, donker bruine, ogen en na een paar zonnige dagen een zeer getinte huid.

Toch zijn er ook duidelijk verschillen tussen Zeeuws Vlaanderen en het aangrenzende Vlaanderen. De Calvinistische overheersing tot het eind van de 18e eeuw heeft ongetwijfeld zijn sporen in de volksaard achter gelaten. De taal-  en klasse- strijd die in Vlaanderen een grote rol speelden zijn aan de steek voorbij gegaan. De  gemeenschappelijke oorsprong is nog herkenbaar maar het land van Hulst is naar mijn mening niet echt Vlaams meer. 

Ook in het aangrenzende Waasland bestond een boerderij uit een aantal gebouwen zoals in deze boerderij uit Lokeren.
Het woonhuis heeft de ingang in de lange gevel en is haast symetrisch afgezien van de aanbouw.
Op een boerenerf stond ook meestal een bakkiet eerst alleen met een oven later ook plaats voor de bewerking van zuivelproducten
Dijkwoning uit Kalloo een goed voorbeeld van de huizen van de arbeiders in de 19e en begin twintigste eeuw

Door media, studie buiten de streek en migratie verdwijnen specifieke aspecten van lokale gewoontes en tradities geleidelijk. Vlaams Katholiek plattelands zijn daardoor steeds minder waarneembaar. Als ik bijvoorbeeld dialect spreek spreek ik het dialect uit mijn kindertijd. Leeftijdsgenootjes die nog in de streek wonen vinden dit erg “plat”. Ik denk dat dit de ontwikkeling van de streek goed weergeeft. Het dialect vervaagt en dat van mij is blijven stil staan en zo is het ook met veel andere specifieke kenmerken. 

 

 

Geef een antwoord