Verslag van den toestand der gemeente Hengstdijk over het jaar 1855”. 

Voorblad van het verslag van de gemeente Hengstdijk over 1855 aan de provincie gestempeld met het gemeente wapen.

Dat is de titel van een rapport dat door de gemeente jaarlijks opgesteld moest worden voor de provincie.

Het rapport werd opgesteld door de burgemeester en wethouders en was ondertekend door de gemeente secretaris. Het behandelde niet alleen het functioneren van het gemeentebestuur maar ook de economische stand van zake in de gemeente

Aantal inwoners 

Het aantal inwoners van de gemeente bedroeg op 31 december 1855 “680 zielen”. Dat waren ongeveer net zoveel inwoners dan tegenwoordig (31 december 2021 690).  Als je op de kaarten kijkt uit die tijd zie je dat het aantal woningen aanzienlijk kleiner is. Ik schat dat er in 1855 nog geen 150 woningen waren. Dat betekent dat de gemiddelde gezinsomvang meer dan 4 personen bedroeg. Uit bronnen uit die tijd weten we dat ongehuwd personeel vaak bij hun werkgever inwoonde en dat ook gehuwde kinderen soms in het ouderlijk huis bleven wonen.

Kiesrecht 

De democratie stond duidelijk nog in de kinderschoenen.  Voor de tweede kamer waren 8 mannen gerechtigd een stem uit te brengen en voor de gemeente 24.  Je verkreeg het kiesrecht op basis van de hoeveelheid grondbelasting die je betaalde over grond in die gemeente. Een groot deel van de kiesgerechtigden was dus geen inwoner van de gemeente. Uitgangspunt was wie betaalt die bepaalt en niet wie heeft belang bij het bestuur en krijgt daarom invloed. Om kiesgerechtigd te zijn moest je een redelijk groot huis hebben of minimaal 1 a 2 hectare grond.

Taken van de gemeente

In het rapport wordt aandacht besteed aan een aantal gemeentelijke taken. Zoals het beheer van het gemeente archief, het beheer van de begraafplaatsen. Daarnaast had de gemeente tot taak toe te zien op het armenbestuur, het verzorgen van de brandweer, het organiseren van de schutterij, het verzorgen van de rekrutering van dienstplichtigen, het organiseren van het openbaar onderwijs en natuurlijk het handhaven van de openbare orde. In tegenstelling tot tegenwoordig kostte dit geen geld maar leverde het geld op.  Het ophalen van vuilnis was ook een gemeentelijke taak. Het ging om een bescheiden bedrag van fl 8 per jaar. Waarschijnlijk ging het hier om as en organisch materiaal dat nog een nuttige bestemming had.

Onderwijs 

Over het onderwijs vinden we ook het een en ander terug. De wedde van de onderwijzer bedroeg en fl 220. Deze wedde werd als volgt bekostigd:

door de gemeente                         fl 125

door de Provinvie                           fl   25

door het rijk                                  fl   50

door het armendbestuur                 fl   20

Daarnaast betaalden de ouders een bijdrage. Dit kan worden afgeleid uit de volgende zin “Geene kinderen genieten kosteloos onderwijs dan 5 uit de Provinciale toelage aan den onderwijzer verstrekt en 6 voor de toelage door het armenbestuur bij abonnement betaald”.

Als je oude kaarten bekijkt was het een klein schoolgebouw. Het verslag maakt duidelijk hoe dat komt. Slechts een klein deel van de kinderen genoot onderwijs. Zoals het verslag vermeldt “de zucht tot school gaan is niet zeer groot”. Het rapport geeft aan dat op 15 januari 29 jongens naar school gingen en 14 meisjes en op 15 juli 18 jongens en 15 meisjes. Ik schat in dat gegeven de omvang van de bevolking er ongeveer 100 kinderen in de gemeente woonden tussen de 6 en 14 jaar. Dat zou betekenen dat in de winter ongeveer de helft van de jongens en  een kwart van de meisjes naar school gingen.  

Dorpskern van Hengstdijk in 1832. In het midden van de kaart ten noorden van de kerk staat de toenmalige school. De school is kleiner dan de meeste huizen. Toch bood deze voldoende ruimte omdat maar een gering deel van de kinderen naar school ging.

Voor mensen die het niet konden betalen was er een toelage van het armenbestuur of de provincie. De kosten van onderwijs voor de ouders was dus waarschijnlijk niet het probleem maar het feit dat schoolgaande kinderen niet bijdroegen aan het gezinsinkomen. De gevolgen van het beperkte onderwijs zie je ook vaak terug in de gemeentelijke aktes. Bij aangifte van geboorte en overlijden of bij huwelijk bleek dat aangevers en getuigen vaak niet konden schrijven of hun handschrift duidelijk ongeoefend was.

In juli gingen veel minder jongens naar school dan in januari. Dit geeft aan dat er een groter belang werd gehecht aan een stukje extra inkomen dan aan onderwijs.  Het werk in de landbouw was vooral in de lente en zomer zeer arbeidsintensief waardoor er mogelijkheden ontstonden om het gezinsinkomen te vergroten.

De gemeente maakte nog meer kosten voor de school namelijk fl 20 voor vuur en licht in de school. De kosten van onderhoud van de school en de (kerk)toren bedroegen fl 90. De kerktoren was een gemeentelijke functie vanwege het aangeven van de tijd en de alarmfunctie van de klok. Om die reden was ook de klokkenluider bij de gemeentelijke uitgaven opgenomen.

De dienstplicht

Over de rekrutering van dienstplichtige militairen meldt het rapport het volgende. In die tijd bestond het Nederlandse leger uit vrijwilligers en uit dienstplichtigen. Dienstplicht was voor velen zeer nadelig. Het betekende namelijk dat er een inkomen voor het gezin verloren ging en dat je vaak voor twee jaar afscheid moest nemen van de vertrouwde gemeenschap Of je als dienstplichtige werd aangewezen hing van een aantal factoren af. Door gebreken of een lichaamslengte onder de 1 meter 55 kon je ongeschikt worden bevonden voor de dienstplicht. De helft van de zoons uit een gezin werd vrijgesteld en ook als er al een zoon in militaire dienst was werden de andere zoons vrijgesteld. In het jaar dat een jongen 19 werd moest hij zich aanmelden voor de militie (dienstplicht). Als hij was vrijgesteld moest hij zich de komende 7 jaar elk jaar weer aanmelden om te kijken of de vrijstelling nog van toepassing was. Onder de niet vrijgestelden werd geloot. Als je werd ingeloot kon je onder de dienstplicht uit komen door een vervanger in te huren. Hengstdijk telde in 1855 21 dienstplichtigen waarvan 6 lotelingen. 2 jongens werden ingelijfd 1 loteling en 1 plaatsvervanger uit een andere gemeente. De gemeente betaalde voor de dienstplichtige soldaten het veergeld.

De volgende keer zal ik aan de hand van dit rapport ingaan op de sociale voorzieningen (het armenwezen) en de economie van het dorp.